De nieuwste column

De verhalen hieronder zijn recentelijk verstuurd naar het Maritieme weekblad Schuttevaer.  Mogelijk lees je ze binnenkort in dit weekblad.

Het bovenste verhaal is het meest recente


De maritieme toekomst

Wij Nederlanders zijn maar wat trots op onze scheepvaart die ons gemaakt heeft tot wat we zijn. Onze maritieme sector doet ertoe! We hebben een zeer kwalitatieve scheepsbouw, prima havens met grote bedrijven die daar gevestigd zijn, moderne haveninstallaties, noem maar op!

   Andere landen nemen er graag een voorbeeld aan en nu Nederland voor de verandering weer eens een échte regering heeft met een akkoord dat ‘belangrijke kansen biedt voor energietransitie, innovatie en een sterk maritiem vestigingsklimaat’ is de toekomst hoopvol.   Althans, dat was mijn indruk toen ik door de krant bladerde.

   De KVNR was trots op erkenning als economische groeimotor door het nieuwe kabinet, er komen miljarden vrij voor infrastructuur, de Drechtsteden willen 2 miljard steken in de maritieme sector én, last but not least, er staat een cruiseschip op stapel met ‘het grootste aantal glijbanen van de NCL-schepen!’ (Dit laatste ter kennisgeving…)

   In dit goede nieuws voor de toekomst van de maritieme sector vliegen de termen je om de oren. Allerlei topmannen en -vrouwen leggen een ei over de economische groeimotor, innovatie-ecosystemen, laadinfrastructuur, automatiseren, robotiseren, innovatie versnellen, living labs, geautomatiseerde lasstraat/robot, batterij-elektrisch baggeren en biobrandstofnormen. Heel modern en ik word bijna een beetje warm van trots. Dat Nederland dat allemaal kán en van plan is!

 

 

Maritieme infrastructuur (Korea)

   Toch wringt er iets wat mijn euforisch gevoel enigszins ondermijnd. Ik kan er niet helemaal de vinger op leggen. Dus doe ik wat onderzoek en plotseling valt het kwartje. Ik vind een aantal eerder gepubliceerde artikels die wel heel erg contrasteren met de hoopvolle berichtgeving van hierboven. Lees het nog maar eens terug al die plannen van maritieme topmannen en -vrouwen… Juist. Valt het op dat alles moderner, sneller, efficiënter en geautomatiseerd moet gaan worden in de maritieme sector? Maar pas aan het eind van een ronkend artikel, in één enkele zin wordt mijn onbestemde gevoel bevestigd. Het is mijns inziens de cruciale schakel of al deze mooie plannen kans van slagen hebben. Er staat: ‘…door inzet van innovatie… een oplossing te vinden voor de chronische personeelstekorten in de sector.’ Er zijn geen mensen die de toekomstdromen moeten waarmaken!

   Dan schiet me een ander artikel te binnen. Het is de uitslag van een grote enquête van de World Maritime University uit Zweden, gehouden onder zeevarenden. Het blijkt dat maar liefst 51,9 % van de geënquêteerde zeelieden binnen vijf jaar de sector willen verlaten!

    Hoofdredenen: ervaren van (ernstige) stress, werkweken van gemiddeld 71,3 uur en voor de meeste zeevarenden is er geen enkele vrije dag gedurende de periode aan boord. Dus om nu alleen de maritieme opleidingen aantrekkelijker maken… Dat gaat hem niet worden.

Het lijkt me daarom logisch dat reders, beleidsmakers, toekomstig premier Jetten en iedereen die mogelijk invloed heeft in de maritieme sector zich gaat inzetten voor eerlijke betaling, (veel) minder werkdruk en meer ontspanning voor degenen die de mooie toekomst vorm moeten gaan geven.

 

Maritieme infrastructuur (Nederland)


Pestkoppen

 

Op Nederlandse scholen zijn anti-pestregels al lang gemeengoed maar nu heeft de IMO er ook lucht van gekregen. Wat blijkt: aan boord wordt ook gepest! Dus worden er regels opgesteld om dit te stoppen, aldus een krantenartikel deze week. Pesten aan boord, het klinkt onschuldig zoals een kind dat uitgelachen wordt omdat het rode haren heeft. Of een bril. Of, minder onschuldig, anders praat omdat de ouders niet uit Nederland komen of…

   Heb ik daar eigenlijk mee te maken gehad toen ik als jong, onervaren ventje aan boord stapte? Ik pijnig mijn geheugen maar kan eigenlijk geen voorbeelden bedenken, of het moet die keer geweest zijn dat ik mijn werkspijkerbroek (er werd nog geen werkkleding verstrekt door de reder…) voor de zoveelste keer versteld had. Het leverde commentaar op van een oude Spaanse matroos die vond dat ik er met een broek, vol met bontgekleurde lappen, als een ‘maricon’ uitzag. Ik was diep beledigd maar na het werk dronken we gewoon weer samen een biertje.

   Valt het dus mee, pesten aan boord? Er werd gepest, natuurlijk, maar voornamelijk goedmoedig en meestal konden de ‘slachtoffers’ er achteraf wel om lachen. Je moet tenslotte wel ergens tegenkunnen als je besluit te gaan varen, toch? En hoewel ik moeite heb voorbeelden te vinden kan ik me geen ernstige gevallen herinneren. Liep het echt uit de klauwen dan kon je natuurlijk altijd naar de kapitein gaan. Die zorgde er dan voor dat het getreiter ophield. Is de IMO plotseling ‘woke’ geworden? Hebben ze het licht gezien?  

 

Goedmoedige pesterijen tijdens: zeewater drinken...

 

  Midden op de oceaan passeren we een zusterschip van dezelfde rederij. We roepen het op om te horen of er nog bekenden aan boord zijn. Inderdaad, de eerste stuurman van het schip heeft eerder met mij gevaren. Wij vormden toen een prima koppel. Hij, zeer ervaren en intelligent en ik, niet zo lang kapitein maar wel kwam eerst de bemanning en daarna schip en reder.

   ‘Hoe gaat het Edwin? Naar je zin?’ Maar wanneer ik verwacht zou hebben dat er een enthousiast verhaal zou volgen, blijkt Edwin behoorlijk mat en zelfs lusteloos. Zo ken ik hem niet.  

  Pas veel later, we zijn dan weer met verlof, komt zijn verhaal. Toen wij elkaar passeerden voer hij met een behoorlijk narcistische kapitein die eigenlijk onzeker en niet altijd even kundig was. Vaak wist Edwin het veel beter dan de ouwe en toonde dat ook aan. In plaats van dankbaarheid te tonen werd de stuurman op alle mogelijke manieren gekleineerd, belachelijk gemaakt en genegeerd. Pure geestelijke mishandeling! Er was voor hem geen hogere in rang om zijn beklag te doen; de intimidatie ging vier maanden door… Zo erg dat hij overwoog te stoppen met varen.

 En dat vraag ik me af bij de nieuwe antipestregels van de IMO: hoe handhaaf je die wanneer alle communicatie via de kapitein loopt? Het krantenartikel had hier geen antwoord op.

Neptunus en Amalia.


Binnenvaren van Genoa

De wereld zien

 

Het is winter en veel mensen mopperen op de kou, de mist en de sneeuw die dit jaar weer eens langer dan een paar uur blijft liggen. De dagen zijn kort en wanneer ik mij ’s morgens nog eens omdraai hoor ik automobilisten de ruiten van hun auto’s krabben. Tien minuten later staan ze in kilometerslange file (want: glad op de weg).

   Je hoeft geen lange commerciële opleiding gevolgd te hebben om deze ‘ellende’ commercieel uit te buiten, sorry, benutten. Terwijl in december vorig jaar de reclamespotjes om besneeuwde berghellingen gingen, beginnen in het nieuwe jaar de reclames voor zonvakanties al vast. Je zal maar wat missen…

   Het valt op dat zeker de commerciële tv-stations relatief veel reclame maken voor cruisevakanties. Natuurlijk de HAL waarvan regelmatig reclamefilmpjes voorbijkomen. Enorme schepen die zich een Noors fjord inpersen, terwijl een jong, modern stel - continu glimlachend - continu elegante glazen met (dure) champagne in de hand gedrukt krijgt van filmsterachtige stewards. (Honderd procent zeker dat het acteurs zijn want hoe vaak zie je op een cruiseschip Europeanen in de verzorgende diensten aan boord? Het zijn toch bijna allemaal goedkope Filipijnen of Indonesiërs…?)

   Andere giga vakantieschepen, met namen als ‘Mein Schiff 4’, ‘Mein Schiff Relax’ (welke zichzelf serieus nemende reder geeft haar schepen zulke idiote namen?), varen in zonovergoten zeeën waar bijna hetzelfde stel als van die fjordcruise wakker wordt in een hut met enorme poorten (ramen) op zee. ‘O, kijk!’ wijst de vrouw, ‘een dolfijn!’ Ja, zelfs dolfijnen spotten is inbegrepen bij de cruise. Moet je niet per ongeluk achter de bar of roulettetafel zitten of in de wildwater glijbaan, natuurlijk. 

Istanbul met zonsondergang

 

 

 

En de bestemmingen zijn eindeloos. De Amazone, Kaapstad, Australië, Noorwegen, de Canarische Eilanden, De Cariben, Suezkanaal, Madagaskar, noem maar op.

Ja, wil je wat zien van de wereld dan moet je toch echt gaan cruisen. Maar wacht eens even! Ik scrol door alle vakantiebestemmingen die door verleidelijke maar voorspelbare teksten worden aangeboden. (‘…rijke koraalriffen, witte stranden, een helblauwe zee…’)

   Ik heb nog nooit een cruisevakantie gemaakt (en dat zal ook niet snel gebeuren), maar op het overgrote deel van de bestemmingen ben ik geweest, soms meerdere keren! Tot aan pittoreske haventjes over de hele wereld waar het nog gemoedelijk is. Oók havens vol met cruiseschepen zoals bijvoorbeeld Charlotte Amalie op de Virgin Eilanden. Daar lagen minstens drie enorme cruiseschepen voor de kant. Wij lagen iets verderop.

   Het verschil was dat mijn bemanning de wal op kon zonder georganiseerde bustoer. De passagiers werden een winkelstraat ingedreven waar aan het einde de touringcars gereedstonden om ze weer snel, vóór het diner, terug aan boord te brengen.

Dus, concluderend, als je maar lang genoeg vaart zie je uiteindelijk meer van de wereld dan na een of meerdere cruises. Nog een verschil: bij de koopvaardij word je betaald terwijl je de wereld ontdekt. 

 


Licht bedrijfsrisico

 

Het is niet helemaal onbegrijpelijk dat sommige nieuwsberichten naar de achtergrond verdwijnen wanneer iedere nieuwe dag platgebombardeerd wordt door ongekend verbijsterende nieuwsfeiten. Nederland dat tijdens nieuwjaarsnacht in een slagveld veranderde, de ‘wapenstilstand’ in de Gazastrook, de zeer bloedige demonstraties in Iran, een president van een NAVO-land die continu dreigende taal uitslaat richting een ander NAVO-land (als een dreinerig kind die zijn zin niet krijgt), tariefheffingen door dezelfde ‘trouwste en grootste bondgenoot’, de voortwoekerende wrede oorlog in Oekraïne, de kidnap van het staatshoofd van Venezuela (al is Maduro ook geen lekkertje), de onmenselijke vluchtelingencrisis in Sudan en  o ja, vergeet niet onze nationale ‘horror-winter’ die precies vijf dagen aanhield. Het leed, met name in de spits, was niet te overzien…

   Tja, wanneer je jezelf dan dagelijks door al dit nieuws hebt moeten worstelen kan dit korte berichtje je zijn ontgaan: ‘schepen vaker aangevallen door piraten’.

   Huh, dacht ik, piraten? Dat was toch iets uit de beginjaren van deze eeuw? Ik weet het nog goed: wanneer de nieuwe reis bekend was en het bleek dat we door de Golf van Aden moesten, gingen aan boord alle alarmbellen af. Nou ja, niet letterlijk. Maar de poorten van verblijven die vanaf dek bereikbaar waren werden dichtgelast met tralies, scheermesjesdraad werd rondom de accommodatie aangebracht, brandslangen werden aan de railing bevestigd om nevelgordijnen te creëren, de standaardorder ’s avonds de gordijnen te sluiten werd van kracht, de citadel werd gecontroleerd, de satelliettelefoon getest, de deuren gingen ’s nachts op slot, een extra uitkijk op de brug en de kapitein had uitgebreid mail,- en telefoonverkeer met de reder om deze toch maar te overtuigen van het nut bewapend veiligheidspersoneel aan boord te sturen. Deed je dit laatste niet, kon het zomaar gebeuren dat je, bewapend met je brandspuiten, er alleen voorstond. 

   Na járen vergaderen, evalueren, rapporten schrijven en nog meer vergaderen mochten er op Nederlandse koopvaardijschepen éindelijk bewapende beveiligers aan boord. Deze werden dan, varende van oost naar west, in Galle, Sri Lanka, opgepikt. Nadat er op zee corridors waren ingesteld en marineschepen op piraten begonnen te jagen werd het rustig(er) in de Golf van Aden en aanliggende wateren.

   Daar kwam dus in 2025 verandering in: ‘137 incidenten werden er dat jaar geregistreerd, het hoogste aantal in vijf jaar! Op 121 schepen gingen piraten aan boord, vier schepen werden gekaapt en twee beschoten. Op nog eens tien andere werden aanvalspogingen gedaan. 46 bemanningsleden werden gegijzeld en 25 ontvoerd. Vier personen raakten gewond’.

   Was dit soort nieuws iets om wakker van te liggen als zeeman in het begin van deze eeuw, tegenwoordig vallen deze risico’s wellicht onder de noemer ‘licht bedrijfsrisico’ wanneer je het overige nieuws verneemt...

 

Rest de vraag waarom piraten het weer aantrekkelijk vinden om koopvaardijschepen aan te vallen. Zou het ermee te maken hebben dat bondgenoten van weleer andere prioriteiten hebben?  

Boven: gefotografeerd in IJmuiden, een bedrijf met zekere Amerikaanse invloeden.

Benedden: Terug van weggeweest, wapens aan boord van koopvaardijschepen...


Boven: Zware ladingschip 'Stahlek' met zware spier en laadrepen

Rechtsboven: Bak van de 'Happy Rover' met daarop het ankerspil, bolders, geleideschijven en inklapbare brugvleugels

Rechtsonder: Deel van het ankerspil met nestenschijf, schalmen en dammetjes

Zeemansjargon

 

Na mijn (vervroegde) pensionering kreeg ik de kans de zeevaartschool van een andere kant te bekijken. Als docent zeemanschap, zeg maar de leraar die uitlegt hoe een modern schip in elkaar zit. Hoe worden de ruimen afgedekt, hoe wordt een schip gebouwd, welke voortstuwingsmiddelen zijn er, hoe wordt een schip geladen en gelost, te veel om op te noemen.

    Voor mij was het allemaal niet moeilijk: het overgrote merendeel van de te behandelen lesstof had ik natuurlijk zelf in de praktijk meegemaakt. Mijn lessen waren daarom een uitleg van scheepssystemen, doorspekt met allerlei verhalen die ermee in verband stonden en die ik zelf meegemaakt had. Bijvoorbeeld, hoe open je hydraulische luiken terwijl je schip met een slagzij van meer dan 20 graden, door verschoven lading, langszij ligt. Het verhaal was natuurlijk prachtig, de leerlingen luisterden met ingehouden adem hoe wij met behulp van voetblokken, ankerwinch en extra staalkabels het luik met beleid openden zonder dat dit van de coaming af schoof. En daar ging mijn verhaal meteen mis.

   ‘Meneer! Wat is een koming?’ Het gebeurde regelmatig dat ik, opgaand in mijn eigen verhaal, automatisch in het gebruikelijke scheepsjargon verviel. Dan vergeet je als gepokt en gemazelde docent, met meer dan veertig jaar zee-ervaring, wel eens dat je leerlingen niets begrijpen wanneer je het hebt over wrangen, kimkielen, keggenbanken of zelfs stuur- of bakboord. 

Ook wanneer ik tegenwoordig een lezing geef aan een buurthuis of club moet ik niet teveel scheepstermen bezigen; de ogen van de toehoorders worden lichtelijk glazig en de aandacht verslapt. En toch is het niet zo dat ik thuis ben in álle nautische termen. Onlangs kocht ik in een kringloopwinkel een aardig boek: ‘De romantiek van het zeilschip’. (Wanneer je van plan bent een nautische bibliotheek aan te schaffen of uit te breiden, ga dan regelmatig de kringloopwinkels langs. Het lijkt erop of niemand meer veel interesse heeft in scheepvaart, je komt daar de mooiste boeken tegen).

   Afijn, het boek beschrijft het prille begin van de zeilvaart tot in de twintigste eeuw. Ergens achterin het boek werd een stuk rechtstreeks uit een leerboek praktisch zeemanschap uit 1808 overgenomen. Ik zie mijn voorgangers leraar zeemanschap al staan, puttend uit hun ruime (zeil)ervaring:

   ‘De Langsscheepse Zeilen worden vervaardigd van Stukken Zeildoek, Kleden geheten, elk Stuk zijnde twee Voeten in de Breedte waarbij zij hiervan gewoonlijk meer hebben aan de Voet dan aan de Top. Aangezien zij parallel aan elkander leggen en loodrecht op de Top, wordt de Breedte van het Zeil verminderd door ze diagonaal naar de Top (b) te versnijden naar de Onder- of Schoothoeken (a), Fig. 292. Dit wordt geheten het geren van het Zeil…’

   Na het lezen van bovenstaande was ik plotseling weer een schooljochie, de eerste dag op de zeevaartschool. Ik nam me voor de eerstvolgende keer dat ik voor een groep niet-zeevarenden sta, hieraan te denken om verwarring te voorkomen.


De slagschepen van T.

 

Een aantal jaren geleden deed ik Norfolk, Virginia aan. Het is de grootste marinehaven ter wereld. Toen wij naar onze ligplaats gingen - er is dus óók nog ruimte voor koopvaardij - voeren we langs enorm grote, nucleair aangedreven vliegdekschepen. Er lagen er wel vier afgemeerd; tegen een ondergaande zon een imposant schouwspel. Verderop lag een futuristisch militair schip van de Zumwald-klasse. De loods vertelde met onverholen trots dat het hier om de meest geavanceerde, supersnelle torpedobootjager ging ‘that the world has never seen!’

   De andere dag, we waren net begonnen met lossen van projectlading, had ik tijd om de wal op te gaan. Van vorige bezoeken aan Norfolk wist ik dat hier een oud slagschip ligt, de USS Wisconsin, nu museumschip. Het stamt zelfs nog uit de Tweede Wereldoorlog. Een icoon van vroeger, want na het echec van Pearl Harbour, waar op 7 december 1941 de Japanse luchtmacht een geniepige, onverwachte aanval op de Amerikaanse marine uitvoerde, werden maar liefst acht slagschepen vernietigd of zwaar beschadigd. Dat betekende het eind van een tijdperk waar slagschepen de zeeën domineerden. De schepen die gedurende de Tweede Wereldoorlog nog dienstdeden werden, de één na de ander, vernietigd. De Bismarck, Gneisenau, Scharnhorst en Tirpitz, machtige Duitse schepen, werden ook al in het begin van de oorlog uitgeschakeld. Italiaanse slagschepen leden vaak verliezen door geallieerde luchtaanvallen. Japanse slagschepen, Yamato en Musashi, de grootste en zwaarst bewapende schepen ooit, werden uit voorzorg voornamelijk gebruikt voor defensieve doeleinden, maar ook zij werden door (Amerikaanse) luchtaanvallen tot zinken gebracht. Het was eenieder duidelijk: de grote, zware schepen waren bijzonder kwetsbaar vanuit de lucht.

   Behalve kwetsbaar was er nog een ander groot nadeel van slagschepen. Ze waren duur. Vreselijk duur! Landen zoals Engeland, Frankrijk, Duitsland (en ook Rusland) die na WO 1 in een race verwikkeld waren wie het grootste slagschip kon bouwen, kwamen er gauw achter dat de bouwkosten van deze giganten niet langer aan de belastingbetaler kon worden uitgelegd.

   Ook in latere tijden, toen ik langs dat futuristische schip van de Zumwald-klasse voer, bleken de kosten van marineschepen erg hoog: dit aluminium ‘superschip’ had maar liefst 7 miljard dollar gekost! Daarover hield de enthousiaste loods zijn mond! 

 

Boven:  'USS Harry S. Truman' met een mooie lucht te Norfolk

Onder: 'USS Wisconsin' museumschip te Norfolk

Daarom kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat, hoewel de huidige president van de VS terug wil naar vroeger ’toen alles beter was’, hij geen hoog cijfer op Highschool zal hebben gehaald voor het vak geschiedenis. Volgens een recent artikel in dagblad Trouw wil hij namelijk een nieuwe vloot (zeker 20…!) slagschepen laten bouwen waarvan de eerste al over 2,5 jaar in dienst moet zijn! De schepen moeten ‘Trump-class-battleships’ gaan heten. Het lijkt erop dat deze slagschepen eerder uit narcistische overwegingen worden gebouwd dan dat het een vernieuwing zal worden voor de Amerikaanse marine. Nog daargelaten wat 22 slagschepen zullen gaan kosten…


Varen? Dacht het niet!

 

Ieder jaar, wanneer de cijfers van de nieuwe aanwas voor zeevaartscholen bekend worden, kun je erop wachten. Er volgt een, meestal kort, nieuwsberichtje dat er wéér minder studenten hebben gekozen voor een maritiem beroep. De zeevaartscholen zitten gezamenlijk in zwaar weer!

   Hierover heb ik al meerdere keren vanaf deze plaats geschreven; met vaak ongezouten kritiek op diverse instanties zoals regering en de KVNR.

Dus ook dit jaar bleek volgens de Maritieme Monitor die begin december het levenslicht zag dat de neerwaartse grafiek doorzet.

   ‘Zorgelijke daling studenten aan maritieme opleidingen,’ kopte dit blad op 10 december.  En elders vond ik nog een artikel in een andere krant. Beide heb ik gelezen; in beiden werd de reden van de terugloop, gek genoeg, niet vermeld, wel dat de aanmeldingen op hbo, mbo en mo in het algemeen terugloopt.

   Maar misschien niet zo gek, die verminderde interesse voor een zeevarend beroep. Het wordt er niet leuker op in de scheepvaart, is mijn idee. Ik heb een paar feitjes onder elkaar gezet die mogelijk verminderd enthousiasme bij een student kan veroorzaken (moet hij/zij natuurlijk wel het wereldnieuws volgen). Hier een soort (onvolledig) jaaroverzicht:

    10 maart: vrachtschip ‘Solong’ ramt de ten anker liggende ‘Stena Immaculate’ midscheeps voor de kust van Hull. Beiden schepen hadden geen uitkijk op de brug…

   Begin dit jaar: opleving van piraterij Golf van Aden/Rode Zee. Na een relatieve periode van rust zijn er opnieuw aanvallen door piraten op koopvaardijschepen. Pakistan en Europa (Taskforce 151) starten een zeer grote missie om dit te stoppen.

   Eind november: drones bedreigen scheepvaart op Zwarte Zee. Meerdere tankers en bulkcarriers (‘Kairos’, ‘Virat’, ‘Midvolga 2’) worden doelwit.

   Begin december: gegijzelde bemanning ‘Eternity C’ na maanden vrijgelaten door Houthi-rebellen.

   29 september: Houthi’s vallen de Minervagracht aan.

   27 november: de bemanning van de ‘Marine I’, een schip dat al tien dagen op drift was en geen drinkwater of voedsel meer had, wordt eindelijk gered.

 

Linksboven: Scheepssimulator Terschelling

Boven: Zelf (door de bemanning) laden en sjorren

 

Begin december: een grote olietanker, de ‘Skipper’ wordt zonder plichtplegingen geconfisqueerd door de VS. De grote leider van de VS laat daarop weten dat ‘meer schepen zullen volgen’.

Een verontrustende lijst waar een beginnend zeeman zomaar mee te maken kan krijgen. Helaas spelen er nog meer zaken die het leven aan boord beslist niet leuker maken.

   Als het aan de reders ligt krijgt de bemanning er nóg een taak bij: het sjorren van lading. De bonden willen een sjorverbod; het hoger beroep loopt nog. Daarnaast wordt het varen steeds efficiënter: zo min mogelijk in de haven en (bijna) overal 24/7 werken.

   Even kort door de bocht: wanneer je vaart loop je kans dat je schip aangevallen wordt of in beslag genomen; wanneer je in de haven ligt is het non-stop werken met dagen vaak meer dan 12 uur. Niet helemaal vreemd dat Nederlandse jongeren toch eerst kijken naar andere opleidingen. Ben benieuwd hoe de reders dit gaan aanpakken…


Gangwaynet

 

Groot nieuws, begin december! De IMO (International Maritime Organization) heeft nieuwe regelgeving gemaakt voor het gangwaynet. Dit zijn netten aan de gangway die een persoon beschermt in het water te vallen, tussen wal en schip of erger, op een betonnen kade te pletter slaan. Hoe ging het veilig aan en van boord gaan ook alweer in mijn tijd?

   Het schip meerde aan, de gangway werd naar buiten gedraaid en op de kade neergelaten. Scepters erin of omhoog geklapt, gangwaynet eronder. Als kapitein was ik altijd zeer strikt in het aanbrengen van het gangwaynet. Bij mij aan boord overspande het net de ruimte tussen gangway en scheepshuid. Ook als de gangway onder een hoek, of zelfs haaks op de kade stond, werd het geheel uitgestrekt opgehangen. Ik wilde dit omdat ik eens een akkefietje meemaakte in een tijd dat veiligheidsnetjes nog geen prioriteit waren voor de IMO (en Port State Control nog moest worden uitgevonden). 

   Ik was eerste stuurman en ook toen al met veiligheid bezig. Bij aankomst te Goole tuigden we het gangwaynet dan ook op de hierboven beschreven manier op. Aan het eind van de vorige eeuw had men de goede gewoonte ’s avonds niet te werken. Er was nog geen havenpoort bemand door norse medewerkers van een beveiligingsbedrijf. De kroegen, waar het allemaal gebeurde, op loopafstand en de kades vrij toegankelijk voor iedereen.

   Zo kon het gebeuren dat ik in de salon van de kapitein de werkzaamheden van de andere dag besprak, toen er een hevig kabaal losbarstte van beneden, het machinistendek. Ik ging poolshoogte nemen en kwam tot de conclusie dat er een aantal bezoeksters aan boord waren die tot ver over hun merk afgeladen waren. Met drank, wel te verstaan.

   Op last van de kapitein, die ook was komen kijken, begeleidden we de in kennelijke staat verkerende dames naar buiten en verzochten hen vriendelijk maar beslist het schip te verlaten. Zogezegd, zo gedaan, maar toen ik de trap opliep terug naar de salon hoorde ik een schreeuw. Eén van de vrouwen was van de gangway gevallen en lag te spartelen in het net, als een gevangen vis. Had dat net niet tussen wal en schip gehangen dan had het zo maar heel anders af kunnen lopen.

 

Hoge steile gangway; waar is het net?

 

  Maar anno 2025 moet het tóch anders met dat net. Het net moet permanent om de gangways worden vastgemaakt. Is dit veiliger of beter? De uitleg heeft niets met veiligheid te maken.

   ‘Het optuigen van zo’n net kost minimaal een half uur (…) Bij vertrek nóg eens een half uur (…) Je hebt het echt over gigantische hoeveelheden netten waarmee je werkt (??)’ legt directeur nautische ontwikkelingen Van Scherpenzeel uit.

Aha, niks veiliger maar de directeur wil de schepen zo snel mogelijk de haven uit. Elk half uur oponthoud is een half uur te veel! Ik vermoed dat hijzelf nog nooit een gangwaynet heeft aangebracht…


Decca, Mark 12

Reünie

 

Op een zwaarbewolkte middag, de motregen dreint chagrijnig de hele dag, loop ik door straten in IJmuiden waar ik vijfenveertig jaar niet geweest ben. Ik ben onderweg naar school, mijn oude zeevaartschool. Ik verbaas me hoe weinig veranderingen dit deel van IJmuiden heeft ondergaan; de straten zijn nog net als in 1978 en zelfs de snackbar, strategisch dicht nabij de zeevaartschool, bestaat nog, zij het onder een andere naam.

   Zijn de straten rondom de school nog als vroeger, de leerlingen van toen hebben de tand des tijds niet geheel ongeschonden doorstaan. Wanneer ik de groep oud-leerlingen bekijk zie ik oudere mannen, zonder uitzondering grijs of kaal… Sjoerd is er en Gerard, Ron, Harry, John, Wiebe en Han. En misschien vergeet ik er nog wel een of twee. Oud zeevarenden met een verhaal. Tijd voor een reünie!

   De organisatie van deze reünie had bedacht dat het leuk zou zijn wanneer we in het oude gebouw van de zeevaartschool, thans het Zee- en Havenmuseum, een rondleiding zouden krijgen. Het wás ook leuk, voor de oud-leerlingen tenminste. Ik denk te hebben geobserveerd dat de medewerker van het museum daar ietwat anders over dacht. Meerdere malen wonnen onze herinneringen het van de uitleg van de suppoost.

   ‘Hé! Dit was toch het lokaal van ome Joop?’ riep iemand toen de museummedewerker trachtte de geschiedenis van de aanleg van het Noordzeekanaal uiteen te zetten. Waarop andere herinneringen boven kwamen en er een lacherig rommeltje ontstond. De suppoost keek, lichtelijk wanhopig, op zijn horloge. ‘Nog een half uur…’ zag je hem denken.

   ‘Ik zal het met jullie maar niet over de zeevaart in en rond IJmuiden hebben’, zei hij nadat hij begreep een groep ex-zeevarenden, de meeste afkomstig uit IJmuiden, rond te leiden.

 

De sparks in zijn element

 

‘Straks neemt mijn collega het over, boven waar de scheepsbrug is. Hij weet er alles over te vertellen, ondanks zijn jonge leeftijd!’ en met een zucht van opluchting liet hij ons gaan, de trap op (‘Daar is toch Kleefband zijn kantoor?!’)

   Boven gekomen werden we verwelkomt door een piepjonge medewerker van het museum, die zijn keel schraapte om van wal te steken over de navigatiebrug en kaartentafel (in het voormalige lokaal zeemanschap).

   ‘Hier ziet u…’

   ‘Kijk! Een Decca, Mark 12! Heb jij nog met zo’n ding gevaren, Kees?’ riep Sjoerd.

   ‘En daar! Een radiorichtingzoeker en een oude buizenradar!’ vulde Gerard aan.

   ‘En moet je die middengolf-radio zien! Toen had je nog een sparks aan boord! Wij hadden eens een ketting rokende sparks. Zelfs tussen de soep en het hoofdgerecht moest en zou hij een sigaret opsteken. En zijn radiohut zag altijd blauw van de rook!’

De jonge suppoost, begrijpend dat hij niets had toe te voegen, verliet stilletjes de brug.

Ik ging hem nog snel even achterna om hem te bedanken voor zijn inzet en te verklaren dat bijna iedereen op een soortgelijke brug had gevaren. Hij begreep het…


S.s. Rotterdam

 

Het is een prachtige ochtend, varend in Caribische zee benoorden Grand Bahama. Het is midden jaren 90. De zon is al warm al staat er een verkoelend briesje. Ik schenk een kop koffie in en plof neer in de stoel op de brug. De eerste stuurman staat met een verrekijker te turen naar iets over bakboord van ons.

   ‘Dat is de… mmm, weet het bijna zeker… maar wat doet ie nou…? Mompelt hij ietwat onsamenhangend. Ik vraag wat hem zo boeit.

   ‘Dat schip daar, over bakboord, ik denk dat het een schip van de HAL is. Zojuist lag het nog ten anker maar nu lijkt het te gaan bewegen…’

Ik pak een verrekijker en… hé, dat is leuk, het is inderdaad een schip van de Holland Amerika Lijn en wel de Rotterdam! Die had ik nog niet eerder op zee gezien maar ik herken direct de slanke rookkanalen en de vorm van de romp, mét zeeg! Majestueus gaat het schip rond en komt dan uit de baai waar ze kennelijk de nacht heeft doorgebracht, naar open water. Haar snelheid neemt gestaag toe zie ik, maar ook dat wanneer ze zo doorgaat er een dichtbij-situatie gaat ontstaan.

   ‘Laat mij maar stuur, ik roep haar wel op.’ Ik grijp de VHF.

   ‘Rotterdam, Rotterdam, hier de Achtergracht, over.’

Bijna direct komt het antwoord. Een beetje geschrokken stem aan de andere kant, lijkt het.

   ‘Achtergracht, de Rotterdam hier…!’

   ‘Goedemorgen Rotterdam. Ik heb hier een CPA (kortste naderingsafstand) van nul. Is het een idee om uit te wijken voor ons? U komt bakboord in…?’ Het antwoord verbaast me enigszins en komt zeker niet voor in de leerboeken op zeevaartscholen.

   ‘Ook goedemorgen Achtergracht…eh als het mogelijk is…eh de passagiers zitten nét allemaal aan het ontbijt en wanneer wij koers zouden veranderen gaat het schip wat slingeren, misschien dat de passagiers dan…’ zijn stem sterft weg maar de boodschap is duidelijk.

   ‘Okee, Rotterdam, ik ga naar bakboord dan kunt u koers en vaart houden.’ Tenslotte is het een prachtige ochtend en ik ben in een goed humeur.

 

Het is een winderige middag en ik sta in de machinekamer van de Rotterdam. Het is hier stil: het s.s. Rotterdam vaart niet meer, het ligt afgemeerd aan de Maashavenkade en doet dienst als hotel. Omdat ik altijd al eens een bezoek wilde brengen aan mijn leeftijdgenoot (de Rotterdam is in hetzelfde jaar te water gelaten als ik werd geboren), heb ik een hut voor één nacht geboekt.

Boven: Hotelschip s.s. Rotterdam

Onder: niet meer nodig in de haven...

 

Tijdens een tour door de machinekamer staan we nu bij het gigantische mechaniek van de stabilisatoren. Dit is een systeem om het schip minder te doen slingeren.

Waarschijnlijk was het systeem zó nieuw dat de dienstdoende officier dertig jaar geleden niet wist dat de passagiers met behulp van deze vinnen rustig hun ochtendpapje hadden kunnen lepelen. Ook wanneer het schip koers had moeten wijzigen omdat de Achtergracht van stuurboord inkwam.


Maak jouw eigen website met JouwWeb