De nieuwste column

De verhalen hieronder zijn recentelijk verstuurd naar het Maritieme weekblad Schuttevaer.  Mogelijk lees je ze binnenkort in dit weekblad.

Het bovenste verhaal is het meest recente


Ontsnapt door Straat van Hormuz

 

Het moest er ooit van komen en ik had het zelfs verwacht. De digitalisering in de scheepvaart gaat zo snel dat systemen waar ik nog mee gewerkt heb al lang hopeloos ouderwets zijn geworden.

   Dat begon al vroeg in het begin van mijn carrière. Had ik nog geleerd op de zeevaartschool te werken met het navigatie-instrument Decca Mark 12, een behoorlijk uit de kluiten gewassen kast met vier wijzerplaten, toen ik als jongste matroos aan boord stapte van het koel- en vriesschip Atlantic stond daar al de Decca Mark 21. Die kon je al digitaal uitlezen, alhoewel de wijzerplaten nog wel aanwezig waren.

   ‘Nieuwerwets spul!’ gromde de kapitein, ‘ga jij daar maar mee aan de slag! Jij komt tenslotte net van school…’  

   Ook stond er een Satnav, de voorloper van het GPS-navigatiesysteem. De handleiding beloofde ‘één keer per uur’ een betrouwbare ‘fix’, een positie dus. Helaas kwam het regelmatig voor dat we buiten Decca-bereik voeren (Decca was eigenlijk alleen bedoeld voor Canada, Australië en West-Europa) en dat de Satnav meerdere uren achter elkaar geen fix produceerde. Dat was hét moment van onze ouwe; quasi onverschillig, de sextant in de hand, kwam hij informeren of de Satnav al een positie had gegeven. Nee? Dan zou hij even laten zien hoe ze dat vroeger deden, die plaatsbepaling!

  

Drukte op het radarscherm

Decca Mark 12

 

Maar de vooruitgang was niet te stoppen, systemen schoten als paddenstoelen op, werden als wondermiddel voor navigatie of communicatie aangeprezen en moesten alweer snel plaats maken voor nóg modernere, nóg betere systemen. Computers, autonome- of gekoppelde systemen, digitalisering, IT-afdeling en wachtwoordmanagement; het zijn termen waar de gemiddelde zeeman dagelijks mee te maken heeft. En daar zal, nu we het AI-tijdperk zijn ingerold, nog veel meer bij komen.

   Aan al dit hightech geweld zit wel een keerzijde. De systemen moeten wel blijven werken.

Ik weet zeker dat sinds ik gestopt ben met varen, slechts een paar jaar geleden, het mij op een moderne brug duizelt. Er zijn systemen geïnstalleerd waarvan ik niet wist wat er allemaal mogelijk mee was. Hier, neem dit artikel in mijn dagblad: het gaat over hoe het sommige schepen gelukt is door de Straat van Hormuz te varen zonder opgemerkt te worden.

   Ik citeer een stukje: ‘de bemanning van een enorme ruwe olietanker (…) heeft de transponder uitgezet om zo een paar uur van de radar te verdwijnen.’ Dus je zet de transponder uit en je verandert in een stealth-schip! Dat wist ik niet! Niets meer te zien op een radarscherm!

   Het betekent volgens mij dat de Hormuz Strait bewakers alleen maar naar de data van de AIS hebben gekeken en het radarscherm hebben genegeerd. Er was kennelijk geen oude rot aanwezig die, quasi onverschillig, met een knikje van zijn hoofd naar het radarscherm had gewezen dat de echo van dat enorme schip nog steeds te zien was…

 


Feest in de Suezhaven

In de Suezhaven te Amsterdam liggen twee opmerkelijke schepen, vlak bij elkaar. Ik ben op weg naar een personeelsfeest van ex- zeevarenden, gehouden op een schip, en koers automatisch af op het schip met twee indrukwekkende masten. Geen exemplaar van de zogenaamde bruine vloot, zo te zien. Omdat de poort van het haventerrein openstaat loop ik door waar een jonge vrouw bij de ingang van een loods staat.

   ‘Is hier het personeelsfeest?’ Vraag ik haar (tegen beter weten in) en op dat moment herken ik het schip. Het is de Tres Hombres, een brigantijn die, geheel zonder motor, in Midden- en Noord-Amerika duurzame producten laadt en naar Europa brengt. Het schip is in 1943 gebouwd als een kriegsfischkutter, kennelijk had de Deutsche Wehrmacht ook wel eens trek in een visje. In 2007 is het omgebouwd tot een zeilend vrachtschip die, geheel duurzaam, kleine hoeveelheden lading kan vervoeren.

   De vrouw vertelt me enthousiast dat met de vandaag aangevoerde cacao chocola gemaakt gaat worden in het fabriekje aan de kade. En, voegt ze eraan toe, voor zover ze weet staat er vanavond geen personeelsfeest gepland aan boord van de Tres Hombres.

   Toch ietwat teleurgesteld zie ik ineens vanuit mijn ooghoeken een donkergekleurd schip liggen; het heeft iets weg van een veerboot, maar dan ontworpen door een student scheepsbouw die geen belang stelde in een mooi scheepssilhouet. Het schip voert de vreemde naam Docks 3.

Boven de scheepsnaam is nog de vorige naam te lezen: Moby King. Het blijkt de voormalige Rottum te zijn, gebouwd in 1960, de veerboot naar Ameland. Het is tegenwoordig een ‘feestboot’ volgens de website van de eigenaar. Hier zal dan wel het feest gegeven gaan worden en via een soort stalen plaat (geschikt voor rolstoelen) maar zonder scepters of gangwaynet, ga ik aan boord.

   Omdat ‘de feestboot beschikt over twee grote buitendekken waarop uw hele gezelschap van de zon kan genieten’ (volgens de website) staan even later mijn collega’s en ikzelf in de zon van een wijntje te nippen.

Aan de overkant van de haven liggen twee grote zeeschepen. De voorste daarvan heeft zojuist de trossen losgegooid en ligt op stootgaren. Ze moet achteruit de haven uit. Natuurlijk kunnen we het niet laten:

   ‘Nou, ik had die voortrosjes wat langer vastgehouden totdat het achterschip weggedraaid is!’

   ‘Ze gaat op deze manier wel érg dicht langs dat schip achter haar!’

   ‘Linksdraaiende schroef, nou, dan weet je het wel…’

   ‘Zou ze wel een loods aan boord hebben?’

   ‘Klappie vooruit! Tjonge jonge, zou d’r bijna naar toe gaan om die kapitein wat manoeuvreer-les te geven… Misschien volgende keer een sleepbootje erbij?’

Maar het ging natuurlijk allemaal goed, de loods en kapitein daar aan boord wisten wat ze deden. De beste stuurlui (in dit geval een stelletje gewezen kapiteins) staan aan wal. Nou ja, eigenlijk op de ‘buitendekken van een feestboot…’

 

Boven: 'Docks 3' 

Onder: 'Tres Hombres'


Bootjesnieuws

 

Soms lijkt het wel of zélfs de sector, die zorgdraagt voor zeker 80% van het wereldwijde goederenvervoer, de aandacht krijgt die het verdient. Het viel me op dat er steeds vaker berichten in de media verschijnen over schepen, bootjes en andere maritieme zaken. Het lijkt er wel op dat het vaak om minder positieve zaken gaat. Een paar recente voorbeelden hieronder.

   Eind april werd opnieuw een hulpkonvooi van voornamelijk jachtjes met activisten in internationale wateren tegengehouden. Israël stopte voor de kust van Kreta (maar liefst 450 mijl van de Israëlische kust) de armada. Internationaal recht, vrije doorvaart op zee, het zijn allemaal begrippen die er tegenwoordig niet meer toe doen, naar het schijnt.

   Een ander voorbeeld, de blokkade van de Straat van Hormuz. Zomaar, van de ene op de andere dag, brak in het Midden-Oosten een oorlog uit. Zeelieden die daar toevallig waren (en geloof me, niet veel zeelieden varen voor hun plezier in de Perzische Golf) zaten en zitten als een rat in de val. Wel verschenen er berichtjes dat verschillende schepen tóch door de straat voeren. Tot het 142 meter lange superjacht Nord van een stinkend rijke Russische oligarch toe…

   Beurtelings werd de Straat geblokkeerd door Iran en Amerika. Ook deze landen hebben geen boodschap aan ‘vrije doorvaart’ of internationale wateren, met als gevolg een wereldwijde economische crisis. Een staaltje van hoogoplopend haantjesgedrag tussen (de leiders van) twee landen, met als gevolg onschuldige zeelieden in acuut gevaar.

   Nog eentje? Onze Nederlandse kustwacht rapporteerde laatst dat er minder schepen van de zogenoemde Russische schaduwvloot langs de Nederlandse kust varen. En dat zullen er nog wel minder worden: er gaat meer samengewerkt worden om valse vlagregistraties (gevoerd door o.m. schepen van diezelfde schaduwvloot) tegen te gaan. De meestal tankers varen nu om de Britse eilanden heen om buiten bereik van de kustwacht van België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk te blijven. Gisteren nog werd deze schaduwvloot ook al wat gedecimeerd doordat Oekraïne twee tankers in de Russische haven Novorossiejsk heeft uitgeschakeld.

   Was er ook positief bootjesnieuws? Jazeker, gelukkig wel! Heeft het grootste deel van het bootjesnieuws te maken met oorlog en (veel) geld, nu werd kosten noch moeite gespaard om het leven te redden van een bultrug die in de Oostzee gestrand was. Afijn, ik denk dat de meeste mensen er wel van gehoord hebben en er wat van vinden. De laatste fase van de redding werd uitgevoerd met een wel heel bijzonder vaartuig. Volgens een gerenommeerd dagblad, dat overigens niet uitblinkt in maritieme termen, werd het inmiddels uitgeputte dier de laatste vierhonderd mijl in een ‘ondergelopen vrachtschip’ naar dieper water gebracht.

Een ondergelopen vrachtschip? Ik ken veel typen schepen en bootjes, van jachtjes met activisten tot schaduwschepen met een valse vlag. Van een ondergelopen vrachtschip had ik nog niet gehoord.

Boven: 'Ondergelopen vrachtschip' 'Malabo' (Lagos)

Beneden: Springende walvis


Boven: de Thalassa, schoolschip voor enthousiaste jongeren

Jong en super enthousiast!

 

Behalve deze wekelijkse bijlage voor deze krant schrijf ik ook een paar keer per jaar voor het blad Diepgang. Veel zeevarenden zullen dit blad weleens hebben zien liggen op de messroomtafel aan boord van hun schip. Het is een uitgave van de Nederlandse Zeevarendencentrale en Stichting Pastoraat Werkers Overzee. We schrijven verhalen waarin we een zekere diepgang proberen mee te geven, zoals ook al uit de titel van het blad blijkt. Met een zekere diepgang maar ook met een zekere hoop.

 

  Schrijf ik geregeld over de zorgen die ik maak over het voortbestaan van de Nederlandse zeeman, in het laatste nummer van Diepgang stond een opmerkelijk positief artikel. Het gaat over Joris, een jongen die super enthousiast is gaan varen. Voornamelijk naar West-Afrika; ‘ik vind het supertof!’ Naïef? Nee, hij is wel degelijk bewust dat West-Afrika geen Europa is en dat normen en waarden in havens van bijvoorbeeld Nigeria, net iets anders liggen dan thuis.

   En hoewel hij één van de slechts drie (…) Nederlandse zeelui is bij zijn rederij maakt hij daar geen punt van. Wel mist hij soms het ‘even slap ouwehoeren in je moedertaal’. Verder is hij er zich van bewust dat, ondanks zijn jonge leeftijd, het varen van vroeger best wel anders was. Toch gaat hij voorlopig niets anders doen, ‘varen is gewoon het leukste wat er is!’

   Het is een artikel dat me blij maakt: ondanks de geringe instroom van Nederlandse leerlingen op zeevaartscholen, ondanks de oververtegenwoordiging van Russen en Oekraïners in officiersrangen, ondanks de korte ligtijden in havens, de 24-uurs mentaliteit in de scheepvaart en het niet of nauwelijks genieten van walverlof blijken er tóch jonge jongens en meiden te zijn die met enthousiasme naar zee gaan!

   Nog nagenietend pak ik de krant. Al op de voorpagina wordt mijn blik gevangen door een foto van de achtersteven van het zeegaande driemastzeilschip Thalassa, mij welbekend van diverse afleveringen van Sail Amsterdam. Het schip komt net terug van een zesmaandelijkse reis richting Caraïben. Of het schip daar ook daadwerkelijk is geweest vermeldt het artikel niet, wel dat het in die tijd 12.000 mijl heeft afgelegd. Het schip wordt bemand door hordes meiden en jongens (jonge zeehelden, volgens de titel van het stuk) die zo te zien super enthousiast zijn over hun zojuist afgelegde reis. (En misschien ook stiekem wel omdat ze eindelijk weer thuis zijn…)

Hoe het ook zij, er blijken anno 2026 tóch Nederlandse jongeren met zee-ambities te zijn, te vergelijken met mijn lichting die bijna een halve eeuw terug, voor het eerst enthousiast ging varen.

   Bedankt Joris, voor je super enthousiaste verhaal en bedankt meiden en jongens van de Thalassa, voor het geven van hoop aan een oude zeeman!

Het minste wat ik terug kan doen is hier een column over schrijven. Bij deze.

 


Helgoland

 

Grün ist das Land,
rot ist die Kant,
witt is de Sann,
dat sünd de Klöören vun Helgoland.

Bovenstaand rijmpje (geen Duits maar in het speciale dialect van Helgoland) heb ik al sinds mijn vroege jeugd in mijn hoofd. Geleerd op een van mijn eerste zeereizen ergens in de vroege jaren 70. Dat kwam zo.

   Een vriend van mijn vader had een kottertje, omgebouwd tot eenvoudig jachtje, zonder enige vorm van luxe. In het vooronder zes kooien en daarachter aan bakboord een piepklein hutje voor de schipper. Voorts een toilet, kombuisje, salon en stuurhuis met daaronder een heuse machinekamer. In de machinekamer stond een Kromhout diesel, een betrouwbare machine.

   Op dit scheepje, de Stella Maris, zou ik mijn eerste echte zeereis maken. Er was echter één probleem. De datum waarop mijn broertjes en ik zouden inschepen vanuit de Amsterdamse Oude Houthaven naderde met rasse schreden, maar het kottertje lag nog niet op haar vertrouwde stekje. Een groep amateurduikers had het scheepje in bruikleen en waren in de Duitse Bocht gaan duiken naar wrakken. Helaas was het dat jaar een van die mindere zomers en de wind voerde de boventoon. Noodgedwongen week de Stella Maris uit naar Helgoland, een eiland in de Duitse Bocht, ongeveer 35 mijl noordwest van Cuxhaven.

 

Onder: Slingerend en stampend terug naar Amsterdam

Boven: Wappen von Hamburg

 

Goede raad was duur maar uiteindelijk werd besloten om naar Cuxhaven te gaan en van daar per boot naar Helgoland om de duikers af te lossen.

   Tijdens deze reis leerde ik ook wat Butterfahrt betekend. Duitsers konden aan boord van een schip belastingvrije artikelen kopen zodra dat de 12-mijls zone was gepasseerd en dus buiten territoriale wateren voer. Men scheepte zich niet in om met belastingvrije pakken havermout of groente terug naar huis te gaan, maar (uiteraard) met rookwaar, koffie, parfum of drank.

   Toevallig deden deze Butterfahrtschiffen óók Helgoland aan. Ik meen dat ik naar Helgoland voer op de Alte Liebe, (ex Wappen von Hamburg) die samen met de Wappen von Cuxhafen, voor koopjesjagende drank- en sigaretten beluste toeristen de dienst verzorgden. Daar stond ik, nog niet eens oud genoeg om ook maar één biertje te mogen drinken, dapper vechtend tegen zeeziekte op een bokkig bewegend schip tussen hordes luidruchtige Duitse schnapps-jagers.

   Omdat de Alte Liebe te groot was om af te meren in het haventje van Helgoland werden de enkele passagiers met bestemming Helgoland per sloep aan wal gebracht. Ik was blij weer vaste grond onder de voeten te hebben.

   Even later installeerden we ons op de Stella Maris. Toch duurde het nog twee weken voordat de wind voldoende afgezwakt was om – de vakantie zat er bijna op - de thuisreis naar Amsterdam aan te vangen. Slingerend en stampend door de Duitse bocht, met een stop in Cuxhaven en Harlingen kwamen we aan in Amsterdam. Helgoland hebben we in die twee winderige weken goed leren kennen inclusief het rijmpje in het originele dialect. 


Social drink allowed!

 

Nou, nou, een sluisdeur uit de scharnieren gevaren, een binnenvaartschip geramd door een tanker, een schip vol passagiers aangevaren en allemaal: oorzaak drank! Het moet niet erger worden, denk ik terwijl ik de krant opzij leg en mijn laptop open. Was het vroeger ‘de zeeman’ die, al dan niet met onderbouwing, bekend stond als alcoholist, nu valt de binnenvaartschipper deze ‘eer’ te beurt.

   Toen ik in 1980, na mijn opleiding, terug naar zee ging, kwam ik op schepen terecht vaak bemand met kapitein en officieren die tegenwoordig gerekend zouden worden, of tenminste verdacht zouden worden van een alcoholverslaving. Een soort gezellige alcoholisten, zeg maar. Elke dag om twaalf uur (beer o’clock werd dit genoemd) kwam de hoge druk samen in de kapiteinssalon waarna veelvuldig het gezellige geluid van openen van bierflesjes en het getinkel van glazen klonk. Op deze plaats heb ik al eens vermeld dat ik, heel naïef, het maar vreemd vond dat de kapitein ‘koude thee’ in een vieux-fles bewaarde. Zo noemde hij zijn dagelijkse rantsoen die inderdaad de kleur van thee had. ’s Middags, ’s avonds, op zee en in de haven; er werd flink ingenomen. 

   Maar toen kwam langzaam de kentering. Ik denk dat deze vermindering van alcoholgebruik al begon toen de controle in Finland op smokkel van drank en sigaretten intensiveerde. Vaak heb ik ze zien staan, de auto’s van de douane die, na aankomst van een schip, eerst even de situatie van een afstandje in ogenschouw nam. Daarna kwamen ze aan boord voor stevige controles. Ruimte voor ruimte werden grondig nagekeken op verstopte, verboden waar.

   De ligtijden werden korter, de havens lagen verder van de bewoonde wereld af en veel rederijen verboden sterke drank aan boord. Er waren zelfs rederijen die álle alcoholhoudende drank in de ban deden.

   Bij de rederij waar ik destijds voer bleef ‘a social drink allowed’, wat uiteraard ruimte gaf voor verschillende interpretaties. Maar het resultaat was dat de bemanning de sterke drank liet staan; de laatste jaren van mijn carrière was dit nog nauwelijks aan boord.

   Daar kwam nog bij dat onze schepen meer en meer ingehuurd werden door offshorebedrijven. In de offshore staat alcoholhoudende drank zo langzamerhand bijna gelijk aan heroïne of crystal meth.

   Het probleem wanneer je op een ‘droog schip’ vaart is natuurlijk de lengte van je uitzendtermijn. Door steeds minder de wal op te kunnen zit je dan aan de ranja voor de duur van maanden! 

Boven: Laem Chabang, even een biertje doen.

Onder: Peru, aapje leegt de laatste druppels van ons likeurtje

Terug naar de binnenvaart. Daar maak je, normaal gesproken, geen termijnen van vier, vijf maanden, lijkt me. Maar de grote verandering is wel dat er veel efficiënter gevaren wordt; elk uur telt. Daarnaast drukkere vaarwegen, veel stremmingen, meer administratie, meer controles, meer stress? Even snel een borreltje tussendoor…

Gaat het bij de binnenvaart straks dezelfde kant op als bij de offshore? Ik hoop dat de schippers hun ‘social drink’ kunnen behouden.

 


Sanitaire problemen

Bemanningsverblijf USS Wisconsin

Een schip met een luchtje

 

Het is een gekrioel van mensen aan dek: her en der worden gevechtsvliegtuigen verreden, er wordt proviand, materialen en munitie geladen, er liggen een aantal bootjes langszij en er klauteren aflossers over de gangway aan boord, met plunjebalen. Dan komt het omroepsysteem tot leven.

  

‘To all, to all! This is your captain speaking!’

Als de kapitein spreekt houdt iedereen zijn mond en luistert. (Afijn, dit is de theorie).

De kapitein heeft het over een glorievolle en eerzame missie die de US Navy gaat uitvoeren.

   ‘Het heeft onze geliefde president behaagt ons machtige superschip naar de Golf te sturen om orde en vrede in het hele Midden-Oosten te brengen! Wij zullen de agressors verslaan en met onze machtige schepen de vrijheid op de wereldzeeën terugbrengen. Amerika is het sterkste land op deze planeet, heeft de machtigste marine en de Gerald R. Ford is het grootste en krachtigste oorlogsschip dat ooit gebouwd is!’

Ik weet niet of het schip inmiddels is aangekomen in de Golfregio, maar feit is dat het vliegdekschip moest uitwijken naar Kreta, in verband met een brand en sanitaire problemen.

   ‘Sir, Captain, een bericht van het Witte Huis.’ De verbindingsofficier staat voor het verblijf van de kapitein en snuift. Ruikt hij het goed? Dat is... het lijkt wel… poep! Het verblijf van de kapitein ruikt lichtjes naar een riool!

   Intussen staat een paar dekken lager matroos 2e klasse Pegseth in de lange rij te wachten tot hij aan de beurt is om zijn lunch te ontvangen.

   ‘Hé!’ hij stoot zijn maat aan die voor hem in de rij staat, ‘sta je winden te laten?’ Private First Class Fance kijkt zeer verontwaardigd om en snauwt Pegseth toe dat hij het zelf wel zal zijn. En inderdaad, ook hier hangt een weeïge rioollucht.   

   ‘Nou, ik ruik nog steeds de brandlucht van die fik van vorige week.’ Bromt Private First Class Fance mopperig.

   Dat was me ook wat! Een brand in de wasserij waardoor nu honderden bemanningsleden zonder kooi of beddengoed zitten! Er moeten zelfs tientallen bemanningsleden op tafels slapen! Lijkt me niet fijn om onder een tafelkleed op een ontbijttafel te moeten liggen terwijl er een doordringende stank hangt…

   ‘Dan kan je je lol op’, zegt Pegseth, ‘binnenkort steken we Iran in de fik!’

   ‘Het kan mij geen donder schelen wat we in de fik gaan steken, zolang het maar niet ons schip is!’ moppert Fance. ‘Trouwens, die hele oorlog hier… Waar gaat het eigenlijk over?’

   ‘Ik weet het ook niet precies, iets met hoge benzineprijzen of zo. In ieder geval zit er een vies luchtje aan deze oorlog…’

   ‘Wáár zit een vies luchtje aan matroos 2e klasse!?’ buldert Second Lieutenant Pubio, die toevallig langsloopt.

   ‘Sir! Nergens sir! Ik bedoel, aan ons schip, sir!’ Luid snuivend staat Pegseth in de houding.

   ‘Ons schip, sir, er zit een luchtje aan…’ zijn stem sterft weg.

  


Omleidingen

 

Autorijden is niet mijn hobby. Ik haalde mijn rijbewijs pas op late leeftijd waardoor de routine er niet in slaagde vaste grond onder de voeten te krijgen. Het grootste deel van mijn leven heb ik gevaren, het was geen periode met veel autokilometers. Daarom zou je mijn rijstijl het best kunnen beschrijven als ‘voorzichtig’.

   Wanneer ik in mijn auto zit moet het rustig zijn om me heen, dus geen bonkende luidsprekers die klinken als een extra motor. (Rij je eindelijk elektrisch en stil, staan die loudspeakers te bonken…) Eigenlijk heb ik nooit de radio bij staan, bedenk ik me opeens. Alleen bij zeldzame langere ritten zet ik nog wel eens een zender op die ook informatie geeft. Het is fijn om te weten wanneer je een file kan verwachten of waar er aan de weg gewerkt wordt.

   Een tijdje geleden reed ik ‘s morgensvroeg met iemand mee die én de radio bij had staan én zijn mobieltje in een handig rekje aan het dashboard had hangen. De radio gaf de plaatsen door waar zich files bevonden en zijn mobieltje gaf handige informatie hoe het beste een alternatieve route te vinden. Zo navigeerde hij zich door de ochtendspits en presteerde het om in vijf kwartier de reis te volbrengen, met files en gladde wegen, in plaats van vijfenveertig minuten in optimale omstandigheden.

   Ontspannen op de bijrijdersstoel bedacht ik voor de zoveelste keer (met mijn door maritieme ervaring aangetaste brein) hoe veel voordelen de zeescheepvaart wel niet heeft.

Bijvoorbeeld wanneer een schip dat vóór je vaart een storing krijgt en stilvalt; je verandert eenvoudig een paar graden koers en vaart eromheen. Een depressie ergens op de Noord-Atlantic? Verleg je koers richting Azoren en daarna weer om de west. Opgelost! (Op dat vervelende mailtje van de reder na dan: ‘We hebben vernomen dat u een andere koers vaart en…’) Drukte in een nauwe doorvaart? Nog nooit meegemaakt dat er een file schepen urenlang achter elkaar stillag.

   Maar gaat dat nog wel op in 2026? Lang niet overal kun je meer zorgeloos varen. Een (onvolledige) opsomming:

 

Boven: Typische 'Golfvaartuigen' (Abu Dhabi)

Onder: filevaren in het Suez kanaal.

 

Kom niet te dicht onder de kust van de Gazastrook. Ook niet rond Cuba. (Vooral niet wanneer je olie hebt geladen). Pas op met je snelle boot als je in de buurt van Venezuela vaart. Ga niet door de Straat van Hormuz (en schepen die al in de Golf liggen: blijf nog maar even liggen…) Bab el Mandeb en Sigapore Strait: ook al risicovolle passages. Schepen in de Zwarte Zee, opletten geblazen. En is de Noordelijke doorvaart bovenlangs Rusland nog wel open voor (Westerse) scheepvaart? Vaar je op een tanker in Iraakse wateren? Je kan zomaar uit het water worden geblazen.

   De lijst is lang en wordt almaar langer. De radio geeft wel de brandhaarden op de wereld aan maar een eenvoudig appje die moeiteloos omleidingen doorgeeft is er nog niet.


Oorlogsgebied

 

Terwijl ik dit typ zijn vakbonden en redersvereniging nog in gesprek of de Perzische Golf wel of niet een oorlogsgebied is. Intussen verslechterd de situatie in het gehele Midden-Oosten in rap tempo. De koppen in de kranten, het nieuws op televisie en social media maken één ding duidelijk. Er is daar een snel escalerende oorlog aan de gang en zelfs de aanstichters van deze ramp schijnen niet te weten wat het uiteindelijke doel van dit afschuwelijke geweld is en hoelang dit nog gaat duren. Ging het om ‘regime-change’? Was het om de Iraanse bevolking te helpen? Om het veronderstelde atoomprogramma van Iran te elimineren dan misschien? Of misschien om de media-aandacht af te leiden voor interne (Amerikaanse) schandalen… Niemand die het weet.

   De zeelieden in de Golf, plotseling gevangen op hun schepen, terwijl er allerhande oorlogstuig over hun hoofden giert, zal het worst wezen. Zij willen maar één ding en dat is doen waarom ze aan boord zijn gestapt. Geld verdienen voor het thuisfront op een veilige manier. Niemand van hen heeft gevraagd om in een oorlog verzeilt te raken!

   Intussen worden er koopvaardijschepen aangevallen en vallen er gewonden en doden.

   ‘Er is op dit moment geen plek in de regio die echt als veilig wordt gezien.’ Aldus een woordvoerder van de redersvereniging op 12 maart.

Voor zeelieden aldaar is de situatie wezenlijk anders dan toen met de coronapandemie. Hoewel ook toen duizenden zeelieden niet afgelost konden worden en nergens de wal op mochten was er geen kans dat er plotseling een raket zich door de romp van je schip boort.

   ‘Gezien de situatie is het compleet onverstandig om door de straat (Hormuz) te gaan, zelfs als daar een gratis verzekering tegenover staat.’ Aldus de reders op 13 maart.

Intussen gaan de aanvallen van Amerika en Israël onverminderd door en ook de tegenaanvallen van Iran stoppen niet.

Dus er is op dit moment nog geen besluit genomen of zeevarenden eigenlijk wel of misschien toch niet in een oorlogsgebied liggen. Het onderwerp wordt maandag 16 maart opnieuw besproken. Feit is dat over en weer raketten en drones vliegen; ik begin me toch af te vragen wanneer er sprake is van ‘oorlogsgebied’ (en wanneer de speciale regelingen voor de bemanningen daarvoor gaan gelden). Ik zoek het op:

   Een oorlogsgebied voor zeelieden (vaak aangeduid als een oorlogs- of risicozone) is een specifiek afgebakend zeegebied waar een actief militair conflict plaatsvindt, waardoor de veiligheid van de scheepvaart in het geding is.

   Ik wil me niet bemoeien met het gesprek tussen reders en vakbonden, maar denk persoonlijk dat de Perzische Golf in alle opzichten voldoet aan de criteria beschreven in deze definitie. Hoe moeilijk kan het zijn? Noem deze hel waarin zeelieden onbedoeld beland zijn een oorlogsgebied. Hopelijk is deze kwestie bij publicatie van deze column opgelost, maar waarom heeft dit zo lang moeten duren…?

Linksboven: 'USNS Yano' (Mississippi) 

Boven: 'USS Arlington' (24) (Norfolk)

 


Bajesboot

 

Het was maar een klein artikeltje, laatst in de krant. Wellicht viel het niet eens op. De kop van het verhaal trok mijn aandacht in ieder geval wel: ‘Cellentekort drijft DJI (Dienst Justitiële Inrichtingen) in richting gevangenisboot.’ Leuk gevonden. Al vaker waren er berichten dat gedetineerden niet hun hele straf hoefden (konden) uitzitten, of dat veroordeelden in plaats van de gevangenis in te draaien een enkelband kregen, gewoon omdat er te weinig cellen zijn. Of misschien wel te veel boeven…

   De Dienst Justitiële Inrichtingen denkt nu dus aan een drijvende gevangenis als oplossing voor het cellentekort. Dit terwijl in Hoorn nog niet zo lang geleden een modern ogende gevangenis volledig is gesloopt. De plek waar het complex heeft gestaan ligt nu al jaren braak. Ik ben geen bouwkundige en weet niet in wat voor een staat het gevangeniscomplex in Hoorn was, maar het komt vreemd over een bestaande gevangenis af te breken en nu op zoek te moeten naar een drijvend complex.

   Nog een dingetje wat speelt bij de komst van een gevangenisschip: protesten van omwonenden (en niet-omwonenden, gemobiliseerd door bepaalde politieke partijen om hun standpunten uit te dragen…) Ik herinner me diverse rellen toen er (o.a. Oekraïense) vluchtelingen moesten worden opgevangen. Daar zaten veel ‘ruimdenkende’ Nederlanders niet op te wachten!

   Destijds, in Beverwijk, eigenlijk Velsen Noord, ontstond onrust toen het m.s. Ocean Majesty aanmeerde om vluchtelingen te huisvesten. Dus genoeg is genoeg, niet óók nog een bajesboot! Beverwijk heeft de poorten gesloten. ‘Het bestuurlijk draagvlak ontbreekt,’ aldus het artikel.

   Het is natuurlijk niet niks, een schip vol boeven in je gemeente te hebben liggen. Het artikel in de krant meldt dan ook beeldend: ‘Gevangen op een boot zitten, klinkt als het begin van een enge film.’ Maar is dat voor de omwonende burgerij ook het begin van een enge film? Die boeven kunnen, als het goed is, niet van boord. Ze hangen niet in groepjes ’s avonds op de kade rond, passanten die hun hondje uitlaten lastigvallend en troep op de kade achterlatend. Nee, ze zitten in hun cel! Ik denk niet dat er veel risico zit gevangenen op een schip vast te houden, niet voor de gedetineerden en niet voor de bewoners in de buurt.

   Zelf heb ik het ook meegemaakt, ‘gevangen op een boot’. Niet dat ik me met criminele zaken had beziggehouden, maar tijdens de coronaperiode mochten zeelui ook nergens de wal op. Nog geen stap! Het kwam vaak voor dat onze Filipijnse bemanning meer dan een jaar aan boord ‘gedetineerd’ waren.  

Geheel boven: Cape Town, Casteel de Goede Hoop, gevangenis

Boven: Hoorn, voormalig gevangeniscomplex

 

Op het moment dat de gemoederen weer hoog oplopen bij mensen - die zelf in alle vrijheid kunnen gaan en staan waar ze maar willen - zijn het opnieuw zeelui die ‘gevangen op een boot zitten.’ Ditmaal in de Straat van Hormuz. Klein verschil: deze keer lijkt het écht het begin van een enge film te worden.